Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 75 )~

niet onbewust, dat Mannen van naam, in het Lierdicht, de eenheid, niet als een noodzaakelijk vereischte, befchouwen, indien het anders flechts verheven Dichtflukkeu zijn; dan, zo lang volkomenheid fchoonheid voordbrengt , en men niet kan, niet dürft ontkennen , dat de eenheid onder de voornaamfte fchoonheden behoort, zoo lang is dezelve een noodzaakelijk vereischte, zo wel in den Lierzang, als in alle andere zoortcn van Diehtflukken.

Alles, wat tot hiertoe gezegd is, he:ft zijnen grond in het oogmerk der Dichtkunst, om door Poëtifche fchoonheden de verbeelding te treffen, of het hartstochtelijk gevoel optewekken; dat is, te verraaaken.

Is dit het oogmerk der Poëzij , dan moet de Dichter verder alles aangrijpen, wat dienen kan, om zijne denkbeelden zoo voorteflellen, dat hij daardoor zijnen Lezeren vermaak aandoet; en hiertoe moec hij zijn' taal en ftijl bijzonder inrichten, door het verkiezen van woorden, die, en bevallig klinken, en tevens veel beteekenen: dezen moet hij zamenvoegen , op zulk eene wijs, dat de rangfehikking, geheel en al, van de gewoone wijze van uitdrukken en redeneeren afwijkt. Nieuwheid en verfcheidenheid veraangenaamen: eene wijs van zamenvoeging der woorden, die niet gemeen is, is daarom dienftiger voor het oogmerk der Dichtkunst, dan eene, welke men, dagelijks, in gewoone gefprekken , bezigt, of in prozafchrifteu gemeenzaam gebruikt vindt. Ook de eene wijs van zamenvoeging der woorden is aangenaamer voor het gehoor, dan de andere; de Dichter moet 'er zich derhalven op toeleggen, om vaardig te zijn in die manier

van

Sluiten