Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zienlijken met geringeren, geringeren met aanzienlijker verkeeren: — en vvat toch is natuurlijker? De Ambagtsman, van zijnen arbeid leevende, moet zich bij hooger zoort van Burgers infinuceren; dat is, hij moet alle die kunstgreepen der zamenleeving gebruiken, welke tot zijn oogmerk behooren; naamelijk. om zijne waar aan den man te krijgen; — deze handelwijze klimt van minderen tot meerderen op; elk heeft alwederöm hooger, aanzienlijker boven zich, of ook zulkcn nevens zich, welken hij, om deze of gene oogmerken té bevorderen, met pligtpleegingen, hup-

fche redenen, en wat dies meer zij, bejegenen moet:

de een zoekt hierin den anderen den loef aftewinnen; ieder doet zich dus, omitrijd, op zijn fchoonst voor, en de geheele ftedelijke zamenleeving is dus eene fchakel van, om ftrijd , complimenten - maakende Wezens.

Deze bijzondere hoedanigheid der Stedelingen, boven den Landman, wordt zelfs reeds der jeugd ingeprent. Daar de Boer zich met een Dorps ■ Schoolmeester, die veeltijds zo min gemanierd is, als zijn leerling, behelpen, en in zijnen eigen kring leeven en flerven moet, hebben de Stedelingen kostfchoolen, Gijmnafiën, openlijke of private onderwijzers en Franfche Graciën, welke allen het hunne toebrengen, om de kunften en wetenfchappen, deugd en goedé zeden, verfijnden fmaak en galanterie, voordteplanten.

Hoe veele voorrechten heeft dus de Stad boven den Land-bewooner! Jammer is het maar, dat men in de Steden, bij al' die gemanierdheid, bij al

dien?

Sluiten