Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( P8 )-

ren, waardoor wij dagelijks omringd worden, zonder dat wij daarop onze gedachten of oplettendheid vestigen. Dat een Mensch, wanneer zijn ligchaam volkomen werkloos nederligt, en alle de toegangen der zinnen gefloten zijn, waardoor anderzins de denkbeelden ons komen toeftroomen; dat een Mensch, zeg ik, in dien ftaat, echter nog ziet, nog hoort, nog fmaakt, en gevoelt, zonder merklijk te zien, te hooren,'te fmaaken, te gc/oelen; — dit is gewislijk een der zonderbaarfte verfchijnzelen in de menschlijke natuur, en de fterveling, die voor de eerftemaal droomde, moet, dunkt mij, dit verfchijnzel noodwendigüjk-voor een venderwerk gehouden hebben.

Dan, vermits het droomen, gelijk men zegt, alledaagsch werk is, houdt men het voor eene nietsbeteekenende zaak, welke geene aandacht en ernftig nadenken verdient: of, ftaat men met zijne gedachten daarbij nog ftil , het gefebiedt grootftendeels uii onedelje en eigenbaatige inzichten, of uit eene kinderachtige nieuwsgierigheid, om te weten, wat 'er in het vervolg gebeuren, en ons bejegenen zal.

De wijze maakt den droom tot het voorwerp zijner befchouwingen, om menfehenkennis te vermeerderen, en de natuur van dat wezen, of van dat gene, welk in hem denkt, en droomt, natevorfchen: om, door het onderfcheid tusfehen droom cn wezenlijkheid, de waarheid zelve op vaster grondflagen te vesti! gen: om den loop der verbeelding en den loop van regelmatige gedachten, tot in derzelver verborgenfte fchuilhoeken, optefpooren. Tot dergelijke naaryorfchin-

gtn

Sluiten