Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 135 )-

vóór den beftemden tijd, verwekken of gaande konden maaken, uit haare ziel verbant: wanneer zij oog en oor onder bedwang heeft, en alles, wat dergelijke, de ziel zo jammerlijk vergiftigende, denkbeelden, begrippen en gewaarwordingen in haar mogt kunnen verwekken, met afgrijzen ontvliedt, zonder daarop eenige de minde acht te geven, of daarin eenig het minfle behaagen te vinden: wanneer zij, eindelijk, niet flechts ten aanzien van andere menfchen, maar ook vooral ten aanzien van zich zelve, in den hoogden graad , fchaamachtig, en daardoor ten utterften zorgvuldig is, om die deelen van haar eigen ligchaam, welken welvoeglijkheid en fchaamte volftrektlijk vorderen bedekt te houden, nimmer — nimmer, dan in geval van gewoone natuurlijke behoefte, of ligchaamlijke ongefleldheid — voor anderen, noch voor zich zelve, te ontblooten of aanteraaken; wanneer zij, langs dezen weg, haar ligchaam en haare ziel rein en eerbaar , onbevlekt en vrij houdt van verderfiijke hartstochten en begeerten — dan, dan eerst, verdient zij den verhevenen lof der kuischheid-, eene deugd, welke haar, in de jaaren haarer jeugd, tegen duizenderleie ongevallen behoeden, en naderhand in den Echt met eene welverdiende, zalige vreugde beloonen zal. Veroorloft zich, in tegendeel, Jongeling of Meisje één der genoemde opzichten, dan maaken zij zich, daadelijk, aan onkuischheid, ontucht en ongebondenheid fchuldig.

Ja, mijn' Dochter — ach I hoe fmartelijk valt mij deze bekendtenis! en mijn geweten, echter, zegt mij, dat ik ze voor u niet verbergen mag — ja, mijn' I 4 Doch-

Sluiten