Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 147 )-

Naar mijn inzien , is een Athëist iemand, die her beftaan van God; de algemeene en bijzondere Voorzienigheid; de, voor het toekomend leeven bewaarde, belooningen der deugd, en Itraffen der ondeugd; de oneindige voordduuring der menfchelijke ziel , en alwat daarmede onmiddellijk verbonden is, volflrektelijk ontkent. —

— Iemand , die van begrip is , dat de Mensch, van het redenloos Vee in 't gemeen , alleen door ligchaams - gedaante , en van den Afrikaanfchen Pongos, Oost ■ bidifchen O ra» - Outang , of Swht's Tahoos in 't bijzonder, door de opvoeding onderfcheiden is. —

— Iemand , die geene echte denkbeelden van de deugd, van de eerbaarheid, van het hooglte goed , en het groote doelwit der Schepping hebben kan ; nademaal hij , het eeuwig en onveranderlijk onderfcheid van zekere menfchelijke daaden en handelingen, door hetwelk zommigen inwendig goed , anderen kwaad zijn, en het daaruit voordvloeiend Natuurrecht wegneemt. Gevolglijk iemand , wien alle daaden en handelingen , op en voor zich zeiven onverfchillig moeten fchijnen; als, bij gelijkenis, zijn' eigen vader den dolk in het hart flooten, of hem, met eigen levensgevaar , uit de bloeddorftigc handen zijner vijanden te rukken. —

— Iemand, volgends wiens meening, de Sterke de natuurlijke heer en meefter van den zwakken is: naar wiens meening alle recht door grooter magt; alle verplichting door de zwakheid, door gebrek aan krachten, om den anderen te wederftaan , bepaald wordt;

K 2 naar

Sluiten