Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 151 )-

mensch in't bijzonder; maar dit eindoogmerk, allee* in de betrekking op de volmaaktheden van den Schepper , welke door dq vrije handelingen der redelijke Schepzelen geopenbaard moesten worden. Zo dra wij derhalven v'astftellen, dat'er geen GoiTis; 20 houdt oogenbliklijk deze betrekking, en gevolglijk alle onderfcheid der handelingen, op; elke derzelven wordt, op zichzelve befchouwd , onverfchillig : niet ééne kan goed, maar ook niet éëne, met voegzaamheid, kwaad genoemd worden.

Vanwaar zal dan de Athëist het behoorlijk begrip van de deugd en ondeugd ; van het eerlijke en oneerlijke; van de rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid ontleenen?

Hier zijn de deugden, die wij op het hoogde prijzen, Slechts naamen zonder kracht; een lukn van ijdle wijzen; Door veinskunst opgefierd, door hoogmoed voordgebracht ; •Die 't wuft gemeen vereert, maar wie ze kent belagcht. Bii hun doet vrees alleen naar deugdsbetïachting wenfehen; fjij hun is eigenbaat de drijfveer aller menfchen.

Halles.

Ik heb nog maar weinig gezegd. De ongerijmdheden vermeerderen lieeds , hoe langer wij de zaak nadenken. Het goede zal de natuur van het kwaade ; het kwaade de natuur van het goede aannemen ; de deugd zal tot ondeugd , en de ondeugd tot deugd worden.

Wanneer 'er.geen God te vreezen , geen toekomend leeven te wachten is, dan is dit tegenwoordig leeven het hoogfte goed des menfchen, zijn eigen ik, K 4 en

Sluiten