Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 166 )—

i'chappen van het ding, dat in hem dacht, welk men de ziel noemt, wat naauwkeuriger te leeren kennen.

Doch, ook dan zou het zeker nodig geweest zijn, dat hij het buitenfp'oorig vernuft , welk hij , in het op. zoeken van zo veele vreemde twijfelingen , zeer rijklijk verkwistte , weder t'huis geroepen hadt: en dit — beliefde hem om zekere redenen niet.

Hoe gemaklijkzou hij alsdan, uit eigen ondervinding, geleerd hebben, dat'smenfchen wil noit tot eenige handeling beflnit, dan wanneer hij, door eene voorafgaande neiging of afkeer, daartoe bewogen wordt; en dat deze neiging of' afkeer, in derzelver oor-i fprong, in derzelver duuring en hevigheid, van de verbeelding van het goede of kwaade afhangt.

Van hier af behoeft men Hechts een' kleenen flap te doen, ten einde men overtuigd worde, dat noit een Godloogchenaarde deugden, welke tot heil van den Staat nodig zijn, uitoefenen, en de ondeugden, welken deszeifs ondergang bevorderen, vermijden zal; en dat, derhalven , niettegenftaande alles, wat van den kant van den Heer Ba ijle wordt ingebracht de Republiek der Athëisten eene. loutere hersfenfchim, een onding is;

Een woord, dat in zijn klank geen zin geeft aan do hand, En, al6 des vrijgeests brein, ontbloot is van verftand.

Wiel and.

V,

Sluiten