Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 178 )-

wien hij kennis gaf van zijne voorfpoed „Ik wensen

U geluk, Nichols," *»ernam deze; „ waar, waarom kleedt gij U niet beter ?"-'.'„ Ikben gedekt, mijn Heer: meent gij, dat ik, door mijne fraaije kleederen, bij deroovers in het oog zou willen lopen , of mij ten minden door de herbergiers laten fcheeren ? Een man, die wel gekleed is , moet naar evenreedigheid ook eten, drinken en dnpen ; bij mijne gemeene kleederen, Hel ik mij te vrede met een nuk fpek en een kan goed bier; ik flaap in de dal bij mijne lastdieren , en ik draag zorg, dat hun bij nacht niets ontbreekt." „ Goed! goed! Nichols," riep de Baron, „ gij hebt meer verfland, dan zij, -die Uw gedrag berispen! — bet zal U wel gaan , voornaamelijk, als gij uwe winst door retouren weet te verdubbelen: maar, als U eenig ongeluk overkomt, maak flaat op mij!" Nichols bedankte den Baron met aandoening, en toen hij al zijn Wol verkocht had , keerde hij terug in het Graaffchap van Galhay , daar hij zelfs met ongeduld verwacht werd bij alle die genen , die hem hunne koopwaaren bij zijne voorgaande reis niet hadden kunnen verkoopen.

Ondertusfchen had Nichols gelet op het gezegde van zijnen edelmoedigen weldoener: voornaamlijk, als gij uwe winst door retouren weet te verdubbelen. Hij had zich te binnen gebracht, waar men, te Galh-ay, het meeste werk van maakte, en hiervan had hij zich te Belfast voorzien. Hij kwam in de eerde dier twee S eden aan met de aldaar getrokken waaren, welken hij daar te koop veilde, en, met eene aanzienlijke winst, aan den man bracht. Ach! wat doet

de

Sluiten