Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C *M )—

iüi ook daaruit, dat hij dikwerf te kortzichtig ett onöplettend is, om te bewerken, dat zijne eigen bijzondere welvaard met het algemeene geluk doof onverbreekbaare banden zamehhangt, en dat een Teder mensch, naar gelang hij het genoegen en de -welvaard van anderen poogt te bevorderen , ook, «ven zeer, zijn eigen waar en duurzaam genoegen behartigt. Deze groote, voor den denkenden wijsgeer zo tastbaare waarheid — de grondflag zijner overtuiging wegens het beftaan van'een liefdevol Opperwezen — ligt voor de oppervlakkige befchouwing van den dagelijkfchen mensch te hoog; hij is buiten flaat, haar zoo te bevatten, als het behoort, en zij kari dus voor hem geen richtfnoer zijner handelingen worden. Hij wordt dus baatzuchtig, liijdig, onrechtvaardig en boos, omdat hij te korrelende is, om te bemerken, dat zijne eigenliefde zelve hem menschlievend, rechtvaardig en weldaadig bad behooren te maaken.

Vraagt gij mij: van waar ik juist weet, dat de Mensch oirfpronglijk zoo, als ik even beweerde, Cn geenszins in dier voege gezind is, als zommigen , fchoon de onderwijzing des menschdoms op zich flemende,' gewoon zijn, hem aftefchilderen ? Mijn andwoord behoef ik niet verre te zoeken. Mijne gronden daarvoor zjjn de menigvuldige waarnemingen omtrend de onbedorven menscbheid in zulke Kinderen, in welken de zuivere natuur nog door geene ellendige kunst ontaard, noch door onverfiandige opvoeding verbasterd is; voords de ontbinding ▼Sn alle melischiijke dwaasheden ett ondeugden tot

haat*

Sluiten