Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 249 >

!en verfcheuren, en ieder zaadjen van vlijt en naarijver te -verflikken. Ik bedoel flechts de overmatige 'ophooping van rijkdommen in enkele bijzondere familien, in zoo verre dezelve geene vrucht van verdienden is. Hierdoor wordt de kracht eener ■natie van haare vruchtbaare kanaalen afgeleid, en in onwaardige handen, die niets daarvan verdiend hebben, tot een weelderig, en zomtijds fchandelijk, gebruik overgegeven. Hiertoe behoort, voornaamlijk ,al wat onder den naam van monopoliën bekend ftaat. Dezen kunnen, ja van eenig nut , ja zelfs noodzaaklijk , zijn , wanneer men daardoor den flaapenden kunstijver wakker maaken, of nieuwe middelen van beftaan daarftellen wil. Maar, wanneer een volk werkzaam en vindingrijk van aard is, dan is, buiten alle tegenfpraak, niets verderfiijker, dan, door de invoering van monopoliën, zommige bronnen toeteftoppen, en flechts voor eenige weinigen te openen. Veele neeringen zouden , wanneer dezelven in dit opzicht onbepaald en natuurlijk vrij waren, duizend familien om ftrijd bezig houden, en doen gelukkig zvu; daar derzelver vruchten nu door de monopolisten , dikwijls in overdaad, worden doorgebragt, ten . overftaan vap andere menfchen , die daarin even goed bezig zijn en hun beftaan vinden konden, doch nu om flegt loon dienen, en zich onder een prangend juk krommen moeten. Als men de zaak van dezen kant befchouwt , dan verdienen zij, die de Vorften en heerfrhers verleid hebben, om zich deze pf gene bezigheden, en de eene of andere behoefte des leevens, als zout, hout, koffij, tabak enz.^uit4 R3 ' N-

Sluiten