Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~C 289 )-

■«>

De Lente, die ge ons biedt, Zie ik, in 't zacht verfchiet,

Met lieve lagchjens nadren: Doch, naauwlijks groet ze ons blij, 'Of fnelt ons weêr voorbij;

Gij geeft haar veldkoets radren! —

O

Koora, grijze Tijd! Koom, geef,

Dat alles rasch herleef! Kweek welvaard en genoegen!

Wen vreugd mijn' Roosje vleit,

Zal gulle dankbaarheid Mijn kioppend hart doen zwoegen!

<>

Waan nimmer, vlugge Tijd!

Dat ge overwinnaar zijt, Wen ge onze wenfchen kluistert;

Gij zinkt in 't peilloos niet:

Al, 't geen mijn oog thands ziet, Is morgen ligt ontluisterd! —

<>

Cij voert den Slaaf ten troon;

Ontrukt den Vorst zijn' kroon; Vergt de onfchnld bange zuchten;

Nu ftreelt ge eens 't trotsch gemoedj

Blaar ook uw' wisfling doet Weêr valfche glorie vluchten!

Sluiten