Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-(3i5;

V, Dacht ik het niet? Ik vvenschte nog wel dén' morgen te zien , dat gij niet knorren zoudt. Ik had gaarne dat gij daarvan zweegt — anders —

M. — Anders — wel nu, denkt gij , dat ik niet durf te fpreken ? Ben ik niet meefter in mijn eigen huis ? — wat verbeeldt gij u wel met het anders ?

V, Ha! ha ! Meefter , had ik gedacht ! Zulk een Mannetje , als gij , zou nog wel den baas willen fpeelen ! Het zal hoe langer hoe mooier gaan !

M. Zwijg, Vrouwmensch 1 wat denkt gij wel ? gij moogt God wel danken, dat gij mij tot uw' Man gekreegen hebt!

V. Ei, ei ! wat ge zegt ! Zulk een lompgrt , als gij , is 'er toch wel in overvloed te krijgen !

M. Ik zeg nog ee»s , Vrouwmensch, zwilg ftil! Wat zoudt gij praaten ; gij, die niets ter waereld uitvoert , als bij deze en gene Vrouw wat te lopen babbelen ! Gij geeft 'er immers niet om, hoe 'er uwe Kinderen uitzien, of hunne fcleêren gefcheurd zijn, als bedelaars - jongens : men durft ze immers nooit onder het oog van een fatfoenlijk mensch brengen

V. Hoor, weet ge wel wat ; ik wenschte wel, dat gij wat meer om u zeiven dacht. Of gij nu al zulk een pedant Heertje zijt , denkt gij dan, dat de Kinderen ook al zoo pedant moeten wórden? —daar zal ik , als Moeder , wel voor zorgen, enz.

Dit jammerlijkgefprek, welk, zo als alle anderen van dien aard, door de Kinderen gretig werd aangehoord, duurde eenen geruimen tijd'voord. Ieder deed zijn X 4 best,

Sluiten