Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 321 )—

chen. Cornelis zag altijd even ftuursch en lagchte zeer zelden. De eerfte deed alles al huppelende en fpringende; de laatrte was loom en zwaar van gang. De een had altijd aardige invallen; de ander fprak nimmer iet geestigs: ja , al zeiden zij beiden hetzelfde, dan nog ging het den een', uir hoofde zijner minzaamheid, veel beter af, dan den anderen. Als Frans vroeg: „ mag ik een kers?" was men buiten ftaat, hem zijn verzoek te weigeren, en als de ander dezelfde vraag deed, was het eveneens, of hij eene onbetaamlijkheid gepleegd had.

Natuurlijkerwijze gaven allen, die het goed hart van den oudften niet door en door kenden, de voor keur aan den jongften , en lieten Cornelis lopen: zelfs de Kinders mengden zich, flechts met den eerften, in het fpel, en lieten den ander' alleen ftaan. Kortom, Frans werd door alle vreemden aangehaald, geliefkoosd en gepreezen, terwijl de goede Cornelis onopgemerkt werd voorbijgezien. Dit ging, eindelijk , zoo ver, dat de Ouders zei ven den laatften ophielden te beminnen, en den eerfteu alleen hunne liefde betoonden.

Weldra verfchilde de toon, waarop zij tot beiden fpraken , dermaate, dat men bijkans geloofd zou hebben, dat Cornelis niet meer, dan een Stiefkind ware. Tot den eerften zeide men: „ wilt gij mij een glas water haaien?" tot den laatften: „ daar hebt ge een glas; breng dat met water terug!" Had men eene verfnapering medegebragt, dan was het tot den eerften: ,, kom, lieve jongen, hier heb ik wat voor u; zie eens, hoe veel kerfen!" tot den

laat-

Sluiten