Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—(322 y—

laatften: ., Daar, Cornelis, daar zijn ook wat kerfen!" Had de eerfte zich bemorst, dan werd hij flechts met een eenvoudig: „ wel, Frans, wat hebt ge u morfig gemaakt?" heengezonden; terwijl den Jaatften toegefnaauwd werd: „ gij ziet 'er immers weder zo morfig uit, als een zwijn: men zou haast niets anders te doen hebben, dan u te reinigen!" Eindelijk , al had de een het nog zo zeer verbruid, dan liep de zaak af met eene wsarfchuwing: » gij weet, dat ik niet gaarne fla; maar als ge het niet laten wilt, dan zal ik een' anderen weg moeten inflaan!" terwijl de ander berispt werd met de volgende bewoordingen : „ Ondeugende jongen, daar ge zijt! wat heb't ge daar weder uitgevoerd? heb nu maar de ftoutheid, om het nog eens te doen, dan zal ik een ftok op uw lijf aan ftukken Haan ! " enz. Langs dezen weg , ontving de eerfte altijd verfchooning, en de laatfte altijd mishandeling. Aan tafel, bij het uitgaan, met de kleeding; kortom, in alles, had Frans een voorrecht boven den ander. Doch welhaast vertoonden zich de jammerlijkfte gevolgen dezer eenzijdige behandeling. Het hart van den oudften Broeder, welk in den beginne dat van den jongften evenaarde, werd met nijd, gramfchap en wraakzucht vervuld. In den beginne, openbaarde hij zijn misnoegen door een louter beklag aan zijne Ouders ; vervolgends door verwijtingen. Dezen niets baatende, begon hij zijnen broeder op allerleie wijze te beleedigen; hij fcheurde en vernielde alles, waar de ander eenige waarde in ftelde, en dit al mede ongenoegzaam zijnde, om zijne gramfchap te voldoen,

Sluiten