Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~(325 >-

*

Letje had de gave, van zich door vleierij bij haare Ouders intedringen; fchoon zij indedaad vol ftreeken en zomtijds kwaadaardig in het geheim was. Had haar Broeder iets, dat haar geviel, eigende zij het zich toe, of verboog, verfneed, of verbrak het. Dit op zekeren tijd weder gebeurende , begon Willem luidkeels te fchreeuwen , zodat de Ouders te hulp fchooten. „ ó Die ftoute Let," riep hij, ,, heeft mij mijn kegèlfpel afgenomen, en twee van" mijne ruiters gebroken!" — .Wel, is het anders niet?" gaven de Ouders ten andwoord: „ kunt gij om zulk eene kleenigheid zoo veel gefchreeuw maaken? Houd u toch ftil! Over een halfuur is zij dat fpeelgoed al moede en werpt het weg, en dan kunt gij het immers wederkrijgen." Deze was doorgaands de éénïge voldoening, welke Willem had voor de aangedaane beleedigingen.

Zomtijds, 't is waar, fprongen de Ouders toe, als de Kinderen begonnen te fchreeuwen ; doch ook dan kreegen zij meestal beiden flaag, zonder dat men onderzocht , wie eigenlijk de aanlegger der twist ware. Willem, echter, deelde doorgaands in het ongelukkigst lot, omdat hij het hardst gefchreeuwd had. Intusfchen vertoornde hem deze partijdige behandeling dermaate , dat hij, eindelijk, zich zeiven recht begon te verfchafFen. Had zijne Zuster hem het een of ander ontvreemd , dan noodzaakte hij haar, eerlang, door vuistflagen tot de teruggave. Dit III.D.IV.S. Y was

Sluiten