Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 3=9 >

è'rgeren, en ons — vergeef mij dit denkbeeld! — het mededogen des Algoeden, bijna, onwaardig maaien.

Laten wij het Hem dan gelaten teruggeven — het Hem, met een gewillig harte, opdragen, opdat Hij ons ver waardige, het als een blijk der dankbaarde en gehoorzaamde liefde te befchouwen. — Ons Kind Hem aantebiedeni terwijl het nog leefde, zou verachting van het waardlte gefchenk — zou ondankbaarheid geweest zijn. De Godsdienst veroordeelt geenszins onze kinderliefde. Niet hij, maar alleen de haatlijkde huigchelarij, kan 'er vermaak in fcheppen r de menschlijkde gewaarwordingen te overweldigen.— Gelukkig wij, dat wij voor deze gewaarwordingen, in eene zoo hooge maate, vatbaar zijn! — Maar nu, daar het koude, verdijfde, doode ligchaam van onzen lieveling, ons eene genoegzaame verklaaring van Gods wil, en een zeker bewijs is, dat Hij dit dierbaar gefchenk, zoo vroeg, ten offer voor zich geheiligd heeft — laten wij, nu, dankbaar en gelaten zeggen: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen; zijn naam zij geloofd l

Wij behoeven de traanen, welken ons, hierbij, onwillekeurig uit de oogen vlieten, niet voor Hem te verbergen , aan wien wij ons onderwerpen. — Neen! maar onze droefheid te maatigen, haar door reden en godsdienst te bellieren, en onzen wil onder den wil van God te buigen — hiertoe zijn wij, als menfchen en als Christenen , ten hoogden verplicht. Hierom wil ik thands eenige gronden opipooren , welken ons daarin van nut wezen , en den Y 3 vroeg-

Sluiten