Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 347 )-

echter deze knecht uit liefde voor zijne Vrouw en Kinderen , en genegenheid tot zijnen lieer , zulks ronduit verklaarde, en alleen niet vrij wilde zijn; dan zoude zijn Heer , na voorafgaande plechtig* heden , hem met een priem het oor doorbooren , en hij zoude hem eeuwigtijk dienen ; en in 't zelfde Hoofdftuk, van het 7de tot het 11 de vs., wordt insgelijks van het verkoopen van iemands Dochter tot eene Dienstmaagd gefproken, en gezegd , dat, zo wanneer zij haaren Heer niet geviel , om ze ter Vrouwe te nemen , hij ze moest laten losfen , maar haar geenszins aaneen vreemd Volk (omdat zij eene Hebreëinne was) mogt verkoopen.

Vervolgends Cap. XXII. vs. 3. gebiedt God, dat een dief, die het geftolene niet kan wedergeven, voor zijne dieverij zal verkogt worden.

Het woord Slaaf vindt men duidelijk bij Levitieus , Hoofdft. XXV. vs. 39 ; dus leest men 'er: „ desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkogt zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een Slaaf."

Zie daar den handel in Menfchen, en het houden derzelven in flaavernij, onder Goddelijke toelating, ja zelfs op zijn bevel gedreven. Maar nog vrij duidelijker en meer bepaald , vindt men dit in 't zelfde Hoofdftuk, van vs. 44, tot 46. alwaar wij een gebod vinden, ten aanzien van het koopen en verkoopen van Slaaven; in deze woorden: „ aangaande uwe Slaaven ofte Slaavinnen, die gij zult hebben; die zullen van de Volken zijn, die rondom u zijn; van die zult gij eenen Slaaf ofte Slaavinne kooZ 4 pen;

Sluiten