Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 349 )—

hepen, noch gaèjfa mei kaar drijven; daarom, dat hij ze vernederd had.

Ten flotte voeg ik hier bij , het geval van Josua , met de Gibieniten , te vinden in het boek , naar zijnen naam genoemd, in bet 9de Hoofdftuk, daar hun arglistig bedrijf, om een verdrag met de Israëliërs re maaken, wordt verhaald', en in het 23fte en volgende Verfen'gezegd: dat Josua om deze daad hen vervloekte, en, uit hoofde van 't gemaakte verbond, wel niet aan 't leeven kwarn, maar hen echter tot eene eeuwige flaavernij, tot houthouwers en waterputters (de geringfte en verachtfte arbeid van dien tijd) doemde.

Dit zij, mijns bedunkens, genoeg, ten betooge van het beftaan en de geoorlofdheid dezes handels in den ouden tijd , waarvan, zo verre mij bewust is , in de Heilige Schrift, geen verbod gevonden wordt. En dat dezelve, zederd altijd, bij de Grieken, Romeinen en andere Volken, tot heden toe, heeft plaats gehad, is uit de gefchiedenisfen dier Volken ten overvloede bekend. Ik- zoude mijne geëerde hoorders verongelijken, met te onderftellen, dat een hunner daarvan onkundig ware. Dus hiermede mijne eerfte Afdeeling voor voldongen en afgehandeld houdende, ga ik over tot het 2de lid derzelve; het be-. ftaan der Afrikaanfche Slaaven, in hun Vaderland, de oorzaaken hunner flaavernij, en de wijze van verkoop derzelven aan onze handelaareq.

Dat deze lieden door het lot des oorlogs in die omftandigheid geraaken , is een vrij algemeen gevoelen , en een onzer geëerde Verhandelaaren fchijnt Z 5 het-

Sluiten