Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 390 )—

Op Seraphs wijs, te flaan. Zij danken, door één geest geleid, Hunn' groote Zangheldin, Wier galm, van 't ondermaansch gewest,

Drong tot den hemel in!

Lannoij fpreidt blij haare armen uit;

Zij zweeft U te geraoet;

Ze omhelst, en juigchc U driewerf toe:

Ontvang mijn welkeom ■ groei!

Uw blinkend oog ziet, in 't vcrfcblet,

De zaalgen, die gij hier,

Toen hen d'orkaan des ramps befprong,

Vertroost hebt door nw lier;

Elk hunner dankt, in vollen glans,

Het wezen, dat, beneén, .

De lover van een wachtend heil

Deedt riipen voor han treén! . . .

Verrukking! —Edel dichtjuweel!

MU dunkt, ik zie uw oog —

Het fehemert, fchittrend, als de zon,

Door 't ruim van 'shemels boog,

Gij groet uw' broeders, met een lagclj.

Vol hoose mnjertcir;

Gij zwiert het eeuwig Salem door,

En voelt uw* zaligheid!

Zo *t waar is, dat der zaalgcn ziel,

Ontbocid aan 't laag der aard,

Voor haar' beneden vriendenkring

Een' tedre zucht bewaart,

Zend dan, 6 dierbaare Engelin »

Uit uw verheven fpheer

Nog een betreklijk, vlekloos oog,

Op Uwe Vrienden neéï!

Zie, hoe geheel een Vaderland

Uw naam in eerbied koudt!

Zie, hoe elk Dichter . in zijn hart ,

Voor U eene eerzuil bouwt!

Wij treuren om uw droeven dood ....

Wij treuren ? . . . Engel ! . . . neen :

Uw landgenoot jnigcht om uw heil _

Hü voelt uw zaligheén.

V/ij treuren? . . . Neen: wij treuren niet —

Sluiten