Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 410 )—

veranderde hij van gedachte, en begon te gelooven, dat het koppigheid of halfterrigheid was, welke hem moedwillig zulk een vertoon deed maalteu. Hij begon hem, deswegens, geweldiglijk te bedreigen, totdat de jongeling hem, bij het uitgaan der Schoole, afzonderlijk opwachtte, cn hem verzekerde, zelf niet te weten, wat hem beerde, en tevens met de daad toonde, dat hij zo min door koppigheid geregeerd werd, als door vergetelheid van de woorden des gebeds haperde, terwijl hij het gebed, ongevergd, prompt opzeide. De oude Man, die nu vastlijk geloofde, dat de Duivel de hand hierin had, had met den jongling roedelijden, en ontiloeg hem van de verplichting, om, als hij de eerfte zat, het gebed te bidden. Een' tijd lang, zijne beurt hebbende laten voorbijgaan, nam hij, eindelijk, eens wederöm eene proef, of de jongling nog even weinig in ftaat ware, om de woorden in orde voordtebrengen^, en ondervond , ' tot zijne verwondering , en tot merklijke vreugd van den leerling, dat deze nu, zoo het fcheen , genezen was , cn het Onze Vader in orde geheel uitbad. De bewustheid van den jongling, dat hij, zo hij al haperde, en verward begon te fpreken, geen ongenoegen te vreezen had, fchijnt hem moed ingeboezemd te hebben, om wel te fpreken. Echter behield hij nog altijd eenigen fchroom, als hij bezig was te bidden, zonder echter hierdoor van de wijze te geraaken.

III.

Sluiten