Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 445 V-

den mogt betreffen, naar mijne wijze van denken, tot de bevordering van het menfchelijk geluk, zo bij uitftekenheid, toedraagt.

De verbetering van het menfchelijk hart, de aankweeking van goede en gezuiverde zeden, in zo verre dezen op de gezonde reden en de infpraak der natuur, onze eerfte en onfeilbaare leidsvrouwen, gevestigd zijn, werken, buiten alle tegenfpraak, tot de bevordering van het menfchelijk geluk mede, en niemand , die eenig denkbeeld en onderfcheid van waar geluk heeft, kan hier een oogenblik aan twijfelen. In zoo verre, nu, uw werk ter verbetering der zeden bevorderlijk is, draagt het tot het menfchelijk geluk toe; maar, vergeeft het mij, mijne Heeren, dat ik zegge, dat alle Schrijvers van dien aard, alsdan, tot dezen veelbeloovenden tijtel hetzelfde recht hebben. — Mogelijk, zult gij zeggen, dat gij hun zulks ook niet betwisten, of u, in dit opzicht , boven hen verheffen wiit; dit zij zoo: ik wacht niets anders van uwe rechtvaardigheid en nederigheid; doch dit neemt niet weg, dat uw tijtel aanleiding gegeven heeft, om, in dit opzicht, iets meer en buitengewoons te wachten. Ik voor mij, ten minften, had gewacht, dat gij ons geheel nieuwe of fchaarsbekende bronnen van geluk zoudt hebben aangewezen, en ons, als 't ware , met de hand, tot dezelven heengeleid; of, voor het minst, ons het fcheppen, uit de minder of meer bekenden, zoudt hebben gemaklijk gemaakt. — Terwijl ik hierop dacht, viel mij in, of zij, die naar de bronnen van het tijdelijk geluk en vergenoegen zoeken, zich Gg3 niet

Sluiten