Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 464 )-

fjiemand immers , wiens ziel flechts het minde gevoel van liefde tot den naasten, ja van betaamlijke eigenliefde bezit, zal dezer Maatfchappije den joem weigeren, dat ze is eene der heilzaamfte en be'langrijkfte inrichtingen van ons Gemeenebest. Waarlijk, is de behoudenis van één mensch gewichtig, hoe veel te meer is dat van zoo veelen, als, door toedoen dezer Maatfchappij, van een zekeren dood gered, en tot het leeven zijn teruggebragt ? — Moet dé rechtfchapen Menfchenvriend zich dan niet billijk verwonderen; wat zeg ik, moet zijne ziel niet met verontwaardiging vervuld worden , als hij befpeurt, hoe veel reden men heeft, om te klaageu, dat eene Maatfchappij, als deze, geené genoegzaame onderfteuning vindt: als hij ziet, dat in een land, waar de befchaaving zinds eenige jaaren is toegenomen ; waar kunften en wetenfchappen, meer dan te vooren, bloeien, en waar de bermhartigheid en het medelijden nog, als eene overgebleeven nationaali deugd, geacht worden; dat men in zulk een land, zeg ik, ook klaagen moet over onkunde, trotsheid en onwil van hun, aan wier zorg de meefle uit- en inwendige ziekten op het platte land zijn aanbetrouwd ? Het fpreekt van zelf, dat alle dezen geenszins onder die verachtelijke clasfe kunnen gebragt worden, wijl de berichten van zoo veele, gelukkig geredde , drenkelingen niet weinig bewijzen opleveren , dat veelen hunner, door Chirurgijns ten platten lande, en , wel bepaaldelijk , naar het voorfchrift dier Maatfchappij , gered zijn. Her behoeft ook geen bewijs , dat veelen der Dorp-chirurgijns tot niets

min-

Sluiten