Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XL

het

BEDERF der ZEDEN,

de VRUCHT eener

al te TOEGEVENDE OPVOEDING.

(Een Dichtftuk.)

(jfijs had dén éénig Kind, bevallig in zijne oogen;

Het was ook fraai van leest; maar driftig", kribbig, Mout;, Een aardje, niet heel vreemd. Het had zulks afgezogen;

De Moeder had het aan een' korsle Minn' betrouwd. Het Kind groeit op. De Vader ziet het ftampen , fmiiten ,

Wen het zijn' zin niet krijgt. „ De knaap is jong en teêr," Zegt goede Gijs; „ ik kan den jongen niet zien krijten,

„ Voldoe hem !" — Maarten krijgt: hij dwingt, en krijgt al wéér. Zijn Moeder, even mal, poogt, wat hij wil, te raaden ;

Koopt heden zuikergoed, en morgen zoeten koek : Dit werpt hij weg; zij laat een' appel voor hem bra; den t

Of Iteekt een dsrtiend'half in kamizool of broek. Nooit vraagt hij , of men moet den Linker flraks bedienen ;

Zo niet; een vloek of zes zijn in zijn' mond gereed , En. wat gij praat, of niet, al ivaart gij met u tienen, Hij zegt 11, met veel drift, dat hij het beter weet.

Zijn

Sluiten