Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C )—

Ouders- dergelijke oude bedienden niet toelaten, dat zij het vergif der bijgelovigheid, aan droomen en fpooken, in de ongewapende en zoo ligt ontvangbaare harten hunner jonge Kinderen gieten. — De éerfle'gepde of kwaade indruk , dien de mensch van zulke vertellingen krijgt, blijft hem, in he: gemeen, door geheel zijn leeven bij. — De droomen behooren niet tot de wonderen; zij behooren tot de natuur; zo lang de zinnen op het ligchaam, het zij waaleend of flaapend, werken, ook zoo lang zal de droom een eigenaardig gevolg dier werking zijn. De mensch, die nooit droomt, kan niet verftandig zijn; en, fchoon'er veele lieden zijn, die zeggen, dat zij nimmer droomden, dwaalen zij echter, fchoon het zeer mogelijk is, dat zij, ontwaakende, zich niet herinneren gedroomd te hebben. — Het ligchaam kan worden uitgeput en rusten, maar de ziel — of liever, het leeven-gevend, het leeven-onderhoudend geestvermogen, die onophoudelijke ebbe en vloed, die op het hart werkt, en hetzelve , ook in den diepften flaap , doet voordfpeelen — die altijd werkende fpeeling der herfenen rust nooit, dan bij den dood, wanneer alle verband tusfehen ziel en ligchaam ophoudt, en 'het evenwicht, van zin tot zin, zijne veerkracht verliest. De natuurbefchouwer zal, hierin, gereedelijk de oorzaak der droomen kunnen ontdekken : ten minflen zal hij, hierin, reden genoeg vinden, om deze nachtverfchijningen niet onder de wonderen te rangfehikken I —

Als de tijd mij eenigzins gunftig is, zal ik de Vrijheid |nemen, ü nader eenige gedachten over

de

Sluiten