Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 52i )-

5, Zie dien Boer daar eens met zijne eieren. Ik wil wel wedden, dat 'er niet één van deugt. 'Er zijn toch geen' grooter fchurken in de waereld, dan de Boeren en de Jooden. Als zij maar iemand voorhebben, die wat onkundig is, dan verkoopen zij ligtlijk knollen voor citroenen!"

„ Of enze Kleermaaker B. ook wat geftolen heeft? Hoe zou hij daar anders met een fplinter nieuwe rok voor den dag komen, zo hij niet een bruigomspak of twee gemaakt, en een partij ellen door het oog van de fchaar gejaagd had? Ik heb altijd gehoord , dat Kleermaakers , Molenaars en Kruiniers met de Jooden in één gild zijn!"

Zoo liefdeloos waren alle de oordeelvellingen van mijn Heer en Jufvrouw F. over de voorbijgangers. Nimmer fpraken zij van iemand goed. Gebreken, die reeds lang vergeten waren, bragten zij aan den dag, en, als men 'er geen met zekerheid wist, dan was men behendig genoeg, om de menfchen verdacht te maaken.

Eu wat toch was hiervan anders het gevolg , als dat de Kinders allengskens geloofden , dat alle menfchen bedriegers waren , en dat 'er, buiten hunnen Vader of Moeder , niet één braaf of verftandig mensch beftond. Zij dachten, vervolgends , alleen om zich zeiven, zonder dat het hun ooit in den zin kwam , om ook tot het geluk van anderen iet bijtedragen.

III.D.VI.S,

Mm

Lotje

Sluiten