Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 530 )—

den kan, is onbereekenbaar: en, hoe gelukkig zult gij dus voor ons, uwe Ouders, voor u zelve, en voor anderen zijn! - gave God, dat ik u eenmaal, midden in het genot van alle deze gelukzaligheid, aanfchouwen mogt!

Doch laat ik ook iets vau eene andere hoedanigheid zeggen, welke al mede onder den rang der onontbeerlijke deugden behoort geteld te worden: ik meen den geest van fpaarzaamheid en huishoudenlij kkeid.

Spaarzaamheid is de zorg voor de behouding of minst mogelijke vermindering van hetgene men bezit, en huishoudelijkheid is die hebüjke vaardigheid , om, hetgene men verkreegen heeft, zoo te befteeden en te gebruiken, dat men, met de minfte kosten, het grootfte nut en het meeste gemak daarvan heeft, en dat uitgave en inkomen daarbij naauwkeurig worden bereekend. De eerfte Haat tot een uiterfte over en wordt gierigheid, wanneer zij niet verzeld gaat van billijkheid , milddaadigheid en eene grootmoedige belangloosheid; de laatfte ontaardt in verkwisting, zodra zij zich van fpaarzaamheid, huishoudenliikheid en billijkheid verwijdert. Gierigheid en fpaarzaame huishoudenlijkheid komen zekerlijk daarin overeen, dat beiden het een of ander trachten te verkrijgen, en het verkrcegene te behouden en te vermeerderen; doch zij verfchillen in aard en hoedanigheid, in oogmerken, en in de keus der middelen. De gierige wordt door eenen geweldigen hartstocht; de fpaarzaame huishouder door eenen redenlijken trek gedreeven: de eerfte neemt, zonder

au-

Sluiten