Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 554 )—

ving , plaats te hebben. Maar , wat verhindert ons ondertusfchen , om den Jooden alle kunften, handwerken en neeringen vrij te geven ; zulke neeriugen ten minften, welke niets gemeen hebben met de toebereiding van leevensmiddelen ? Wat verhindert ons , hen op onze akkers te gebruiken, en, op allerleie wijzen, hun een eerlijk beftaan te verfchaffen? Wat belet ons , hen eindelijk eenmaal als menfchen, als onze natuurgenoten , te behandelen ? Is niet de God der Christenen tevens de God der Jooden ? Vordert de Natuur, vordert het Christendom, dezen plicht van ons niet af ? Eischt het welzijn van den Staat niet , dat wij dus handelen ? Dan immers zoude natuurlijker wijze , de bezige , de werkzaame , de vindingrijke geest der Jooden van zijne , nu zoo fchaadelijke, richting afgetrokken worden, en zich op nuttige zaken, en op de volmaaking van nuttige ambachten en handteeringen toeleggen. Dan zouden de rijkdommen, welken in zommige familien der Jooden nog gevonden worden, niet meer , gelijk tegenwoordig plaats heeft , grootftendeels binnen een zeer engen en fchaadelijken omloop beperkt blijven , maar over den geheelen burgerftand, en over alle de elasfen des Volks , nieuwen geest en nieuw leeven verfpreiden.

Wijders heb ik , onder de oorzaken van de neigingi eens Volks tot ontrouw en bedrog, de al te groote geftrengheid van het opzicht, welk men , in zommige Landen , houdt , op de tol- en accijnsbetaalingen. Mistrouwen, aan den éénen kant, brengt altijd , aan den anderen kant, laage gezind-

he-

Sluiten