Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieruit volgt, dat, wanneer men eenig denkbeeld in zich wil opwekken, men Hechts aan iets, welk daaraan gelijkt, of daarmede verbonden is, te denken heeft.

s-13.

Dan, dit vermogen zoude den mensch nog van weinig nut wezen, had hij daarbij nog niet een ander vermogen, naamlijk, om de verkregen denkbeelden te overpeinzen, en tot een innerlijk voorwerp van denken te maaken. Deze werkzaamheid, welke geheel binnen onze herfenen plaats heeft , en waartoe geene zaak van buiten gevorderd wordt, beftaat hierin:

1. j Dat wij bij eene zaak, welke wij ons voordellen, verwijlen, ftilitaan, en onze voorftellingkracht, daaromtrend , in zekere ingefpannenheid houden. Men noemt dit opmerking.

2. ) Dat wij zodanig voorwerp onzer vertegenwoordiginge afzonderlijk, en als van alle andere dingen onderfcheiden , befchouwen.

3. ) Dat wij zulk eene zaak, met alle naauwkeurigheid, gade (laan, en daartoe alles, wat daarbij behoort, b. v., de onderfcheiden deelen en gesteldheden, waarnemen.

4. ) Dat wij de betrekkingen, waarin zodanig voorwerp tot andere dingen Haat , opmerken , als b. v., deszelfs gebruik, out en oogmerk.

Sluiten