Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•C 62 >

biedigen. De fchending dier rechten, welke wij onstegen anderen veroorloven , Haan wij , in 't zelfde oogenblik, aan hun, ja, aan allen tegen ons toe, en hebben wij veelligt ook vroeg of fpaade, als eene rechtvaardige vergelding van onze roekeloosheid, te wachten.

De groote zaak, waarop het, in 't ftuk van des Slaavenhandel en den aankleeve van dien , aankoomt, is derhal ven, door al 't bijgebragte, in dezer voege beflist: Dat de Perzoonlijke Vrijheid een onvervreemdbaar goed is, zo wel van onze Zwarte Medemenfchen, als van ons zeiven: Dat zij, zo min als wij, met eenigen fchijn van recht, van dit natuurlijk eigendom een' vrijwilligen afftand doen, veelmin door eenigen dwang daarvan beroofd kunnen worden: Dat, de Perzoonlijke Vrijheid een recht zijnde, hetwelk een iegelijk mensch onmiddellijk van God ontvangt, de flaavernij nooit van Ouders op Kinderen wettig kan overerven; zodat, al ware het, dat de Ouders, of gewillig, of om eenige misdaad, of bij ongeluk, hunne vrijheid verbeurd hadden, de Kinders echter vrijgeboornen zijn: Dat, daar de verzaaking van natuurlijke rechten eene tegennatuurlijke daad is, en den Mensch tot het beandwoorden aan zijne beftemming buiten ftaat fielt, elk Slaaf verplicht is, om dien uitflag te herftellen, en volkomen recht heeft, om zijne verloren vrijheid te hernemen: Dat de opftanden van onze NegerSlaaven, wanneer zij enkel poogingen zijn, om vrij te worden, door een' zamenloop van noodlottige omftandigheden wei zeer gevaarlijk zijn, maar door den

oh-

Sluiten