Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

De GANS en de HOND.

{Eene Fabel.)

JFpne trotfche Gans wandelde op het plein van zt) ere landhoeve heen cn weder, en wierp blikken van verachting op alle de andere Huisdieren.

„ Hoe treedt gij toch," vraagde eindelijk de fpotachtige Hij la x, ,, zoo verwaand, als een Paauw? — Zijt gij dan geheel vergeten , dat gij flechts een' Gans zijt?"

„ Zwijg, Zotskap!" andwoordae zij, „gij verdient van Juno's Vogel naauwlijks andwoord. Maar, weet dan, gemeene fchobbert, dat Wij , Gans en, door ons waakzaam gekakel, eenmaal het kapitool gered hebben, terwijl gij, traage Honden, fliept!" —

„ Maar," hernam Hijlax, ,, mag ik u wel eens vraagen, hoe gij, ellendig fchepzel, u op het kakelen eener Romeinfche Gans kunt verhovaardigen?"

„ Moet ik dan," hervattede de Gans, „ mij nog al duidelijker verklaaren, Domoor? — Die Ganfen waren allen — van mijn Voorouderlijk Geflacht!" —

X.

Sluiten