Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 103 )-

De eerzucht is een gevaarlijk knaagende worm voor het menfchelijk hart, terwijl zij doorgaands alleen daarop rust, dat wij orls een veel te hoog denkbeeld van ons zeiven maaken; 't zij zulks zich op hoogheid van rang en geboorte, of op kundigheden, rijkdommen enz. gegrond zij, leder mensch behoort ons, zo wij waanen, zijn offer van hoogachting te wijden , en wij gevoelen een heimelijk misnoegen, wanneer deez' of gene ons niet erkent, hoezeer hij 'er nog geene gelegenheid toe gehad hebbe, en ons gevolglijk geene eer bewijzen kan. En 't is juist daarin, dat het ongelukkige van dezen hartstocht gelegen is, dat de eergierige elk oogenblik gelegenheid vindt, om te bemerken, en ook daadelijk bemerkt, dat zijn roem in verre na niet zoo uitgebreid is, als hij wel verlangt, of dat men hem geenszins in die maate eerbiedigt, als hij waarlijk gelooft te verdienen: terwijl het verachtlijke of befpotlijke van zijn charakter zich daarin openbaart, dat hij zich, dikwerf, bij geringe verdienlten, door onverflandige, zelfs door onrechtvaardige middelen, boven anderen verheffen wil.

'Er zijn flechts weinige menfchen, die al te geringe gedachten van zich zeiven vormen, en , zo het bij zommigen gefchiedt, dan doen zij het uit eene gewaande nederigheid, welke wij ook, uit d^en hoofde , geenszins met den naam van befcheidenheid moeten verëeren. Doorgaands fchuilt agter haar eene geheime trotsheid, welke de verachting van ieder' weldenkenden verdient; en het is dus vooral nodig, dat men jonge luiden tegen dit jammerlijk zelfsbedrog waarfchuwe, G 4 door

Sluiten