Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 137 )—

naauwkenrige menfchenkennis geraaken kunnen en moeten. De menfchen gaan, veeltijds, oneerlijk met zich zeiven te werk. Zij vermommen zich niet flechts voor anderen, maar ook dikwijls voor zich zeiven, en vertoonen zich volftrekt niet gaarn in hunne waare gedaante. Misfchien vreezen zij, niet zonder grond, dat zij agter het voorhangzel, welk zij voor zich getrokken hebben, zeiven meer ontdekken zouden, dan wij wenschten; misfchien hebben zij een voorgevoel, dat zij, aan hunne vermeende deugden zelfs, vlekken bemerken zouden, die aan de hooge gedachten, welken zij van zich zeiven maaken , niet zeer gunftig zijn mogten.

In de meeste gevallen, nogthands, is het eene verkeerde eigenliefde , waarom zij zich niet in hunne waare gedaante vertoonen willen: — het zijn zekere uitwendige voordeelen, naar welken zij ftaan. Welke zonderlinge belijdenisfen zouden wij niet hooren afleggen, als ons ieder bijzonder mensch de waare gronden zijner vriendfchap voor anderen, met oprechtheid, konde en wilde openleggen. Misfchien is geene deugd aan zoo veele heimlijke vervalfchingen, aan zoo veelerleie bijoogmerken , en menigvuldig zelfsbedrog onderworpen, als de vriendfchap. Daar zich haar gebied bijkans over de geheele ziel uitftrekt, alle aandoeningen zich aan haar, onmerkbaar, als vastkeetenen, en met haar bewegen , en daar zij door zo verbaazend veele uiterlijke omftandigheden gewijzigd wordt , is het zeer natuurlijk , dat daaruit even zo veelvuldige misbruiken, in de theorie haarer gewaarwordingen en oogmerken, als in derzelver prak' I 5 tijk

Sluiten