Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 139 )—

dat ik, in mijne behoeftige omftandigheden, zijné onderfteuning noodig heb , en hij mijne Kinderen voor het toekomende verzorgen, mij in mijn beroep voordhelpen, mijne inkoomften vermeerderen, en mij duizenderleie tijdelijke voordeelen kan toevoegen» welken ik, zonder zijne vriendfchap, zou moeten misfen. De ligchaamlijke behoefte des leevens keetent mij aan hem vast, en ik zou zeer onverftandig handelen , wanneer ik zijne vriendfchap wilde veronachtzaamen. Misfchien zou hij , buiten deze ligchaamlijke behoefte, nooit mijn vriend geworden zijn; — misfchien zou ik koelzinnig tegen hem worden, wanneer de omgang met hem ophield, eenigen invloed te.maaken op mijne uiterlijke gelukzaligheid." — Eene derde zoort van menfchen zou ons het vermaak der zinnen en der inbeeldingkracht, als den voornamen grond hunner vriendfchap jegens ons, affchilderen. ,, Menippus, zouden zij ons te gemoet voeren , is onze vriend, wijl hij het leevendigst aandeel in onze vermaken neemt , ons de langwijlige oogenblikken op eene aangenaame wijze verdrijft , en onze herfenfchimmen voedt. Wij komen met hem overéén in onzen fmaak, oefeningen, oogmerken en hartstochten. Hij denkt voor ons , wanneer wij niet meer denken willen; fpreekt, wanneer wij ftomp geworden zijn. Hij kent onze zwakke zijde , maar fchijnt dezelve niet te keunen , en weet ons' hierin op eene zeer aardige wijze te behandelen. Hij vindt voor ons nieuwe ftof tot onderhoud uit, eene nieuwe vreugde, als wij beginnen te geeuwen1 , én zijn aangenaame omgang is ons eene zedelij-

Sluiten