Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C i/8 )-

naar maate wij in jaaren en geestvermogens toenemen. Misfchien is mijne vrolijkheid tegenwoordig veel kiefcher; maar zij is op verre na zoo leevendig niet. Het vermaak, dat mij een uitmuntend tooneelfpeeler veroorzaakt, is in geene de minfte vergelijking te brengen met dat, hetwelk ik fmaakte, wanneer ik een hansworst, op eene boerenkermis, zijne ellendige grappen zag vertoonen ; en de treiïendfte zangftukken eener bekwaame Virtuofe ftreelen, niet half zoo aangenaam, mijn gehoor, als de oude wiegdeunen deeden, welken de meiden mij voorzongen, en, waarbij zij mij dikwerf traanen van vergenoegen uit de oogen persten.

De Schrijvers hebben, ten allen tijde, trachten aantetoonen, dat het vermaak niet te vinden is in de uitwendige voorwerpen, die zich, ter onzer vervrolijking, aan ons opdoen, maar eeniglijk in ons zeiven. Bevindt zich onze ziel in eenen ftaat van weltevredenheid , dan befchouwen wij alles uit een vrolijk gezichtpunt, en van de beste zijde; alles, wat zich dan aan ons vertoont, heeft in onze oogen veel overeenkomst met den fleep eener pr$cesfi>; eenige perfoonen, die zich daarbij bevinden , mogen een belagchlijk voorkomen hebben; anderen mogen Hecht gekleed zijn: maar, indien men niet ftapelzot is, toont men zich daarover niet te onvreden op den ceremoniemeester.

Ik herinner mij, bij mijne reizen, in ééne der fterke fteden van Vlaanderen, eenen galeiroeier gezien te hebben, die over zijnen erbarmlijken ftaat niet htt minfte ongenoegen deed blijken. Hij was verminkt,

Sluiten