Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C ipo )—

Gij — die mij in uw arm op de aarde vreugd deedt vinden —

ln 't eenzaam Kerker-hol blijft mij uw denkbeeld bij ! Dit denkbeeld kan de rust van 't ftervend hart verflinden !

Gij ! en niets meer op de aard-- dit was genoeg voor mij ! God! Mag ik niet in't veld of in haar armen fneeven,

Terwijl mijn dierbaar kroost rondom mijn derf bed fchreit! Den jongden leevens-fnik op haaren lipte geven —

Dit was voor Eg mond nog op de aardeen zaligheid! Welk akelig tafreel komt hier mijn oog te vooren,

Als Egmond niet meer leeft . . hoe ijslijk word haar Iöt! Wie zal haar teder hart in 't moordend weedom fchooren?

Ach,wie befchermt haar deugd— wie word haar redder?---God. Dit troostrijk voorgevoel zonk in mijn boezem neder,

Toen 'k in mijn woefle klacht geen reden meer bezat: 'k Ontwaakte als uit een droom — ik knielde aanbiddend weder,

Terwijl het diepst ontzag mijn hart gekluidert had: En ach! hoe wierd ik toen vernederd in mijn oogen!

Hoe meetloos groot wierd God! en ik . . . onmerkbaar klein! En doch die worm verhief zich tegen G o d s vermogen ,

En fcheen zich in zijn drift veel meer dan God tc zijn! Ik doeg mijn oog op Hem . . daar zonk mijn lijden henen !

De Godsdienst leerde Hem als vormer van mijn lot ; Straks was dit duifter hol met fchittrend licht omfchenen;

'k Zag't rustpunt van de vreugd op 't ijsliik moordfehavot! Wat rampen, wat verdriet mij hier ook overkomen,

God, die mijn vader is — bemint mij in de ftraf! En ach', de zee des ramps zal eens ten einde dromen,

Eu

Sluiten