Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 193 }-

Geen onrecht treft den mensch, hoezeer hij weent en treurt! Hij zelf verloor 't geluk, op het volmaaktst verkregen: Ontneemt men hem te veel, die alles heeft verbeurt? >Dan! waan niet, dat Gods gunst word met mijn val verdreven Denk, dat Hij u hier niet - noch mij in 't graf verlaat; Die God zal wis aan U zijn hulp en bijftand geven ,

Die door een wijs beitel mij morgen nederdaal. Daal 'k in des doods valei - in 't dille graf ter neder,

Ach! dan ziet God op u vol van ontferming neer ! Hij dopt uw traanpn-bron ». - Hij fchenkt u kalmte weder:

Gij vindt/m hem een man, mijn Kroost een Vader weer ! Een' enklen traan Vriendin! wil de Almagt wel gedoogen:

Het Christendom ~ de deugd verbiedt geen traanen-vloed; Maar reden moet in 't eind de bron dier traanen droogen, Wijl niet de mensch een naaf der driften wezen moet; Verdient mijn naakend lot, mijn dierbre Ga, uw Weenenï Blinkt in een blij verfchiet geen' zalige eeuwigheid ?

Blinkt door de rook mijns bloeds geen open hemel henen?

Reeds wachten dc Englen mij - en mijne Gade fchreit! Neen! treur niet meer om mij ga tot den besten Vader, >K fineek Hem voor u om troost: HU zat uw redder zijn! Ach, elke dag Vriendin! koomt gij den hemel nader:

Daar woont het waar geluk , maar niet in dees woestijn! Hoe dwaas is dan de mensch , die hier dat heil wil zoeken ;

Nog dwaazcr hij, die, daar hij dit geluk niet vind , Zich zeiven en zijn Gód om dit gemis durfc vloeken , En dus'c geluk, 't geen hij bezit , ook nog verduid! IV.D.ÏI.S. N ' 'k

Sluiten