Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/

Avarus zelf openteleggen, en hem daarover te onderhouden: want, zeide hij, „ fchoon ik, uit hoofde van mijn eredtet, eene dubbele fom kan krijgen van hetgeen ik te kort koom, oordeel ik echter, geene vrijheid te hebben, eenige leening te doen, zonder tevens te erkennen, dat ik, bij de gerLngfte mislukking, buiten ftaat zal wezen, om ook deze fom te voldoen."

In het volst vertrouwen, van wel te zullen flaagen, nam ik dit vooritel aan. De Heer1 Avarus hoorde het verhaal der rampfpoeden van onzen vriend met alle teekenen eener gevoelige aandoening: hij prees züne oprechtheid en eerlijkheid hemelhoog, tn beklaagde den toeftand van eenen koopman, die, ondanks zijne vlijt en ordenlijke huishouding, het lot ondergaan moest van anderen, die zulks meestal aan hunne verkwisting te wijten hebben: „ maar, wat het geld betreft," zeide hij, „ dit moet gij mij niet kwaalijk nemen, dat ik maar zo niet waagen kan; en, hoe groot mijne achting is voor onzen beider vriend, is zün verzoek echter van dien aard, dat ik het volftrekt niet kan toeitaan." Hoe ligtlijk nu de vrijheid, welke mijn vriend en ik beiden namen, kan gerechtvaardigd worden tegen de verloogchening der vriendfchap door den Heer Avarus, zal echter ieder gereedlijk erkennen, dat hij zo min in de bei'chouwing, als in de praktijk, vrij is. Hij, die buiten ftaat is, om, van anderhalf millioen zijner bezittingen, vijftig of zestigduizend guldens te nemen , ter behoudenis van een' man, dien hij zo dikwerf geprezen, met wien hij zo gemeenzaam verkeerd,

en

Sluiten