Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 221 )—

niet zijn van de rechten, welken in eene opkomende maatfchappij aan ieder afgedaan worden , zoodanig, ais men dezelve onderdelfen moet, om op het grondbeginzel der rechten te bouwen.

Het is niet alleen een nieuw, een van elders bijkomend gezag, waardoor deze bepaalingen gemaakt Zijn. Vanwaar zoude het hebben kunnen ontdaan? Maar het zijn allen de rechten, die, zich vereenigende, elkander onderling van dienst zijn, en noodig hebben. Onder aanwijzing der reden , fchikt zich elk in zijnen rang , niet uit hoofde van een bevél, dat niemand het recht heeft, te geven, maar om zijne plaats tusfchen de anderen te behouden, en om niet verdrongen of uitgefloten te worden.

z. Men zal in de tweede plaats begrijpen, dat de maatfchappij, als één ligchaam, belangen heeft', welken van alle de bijzondere belangen als afgefcheiden kunnen worden, en echter allen te zamenlopen. Zulk een belang is ingebeeld en onuitvoerlijfe, ten v/are het de noodzaaklijke grondfleun van alle de bijzondere belangen is; in welk geval het voor onfchendbaar en heilig moet gehouden worden. Dusdanig zijn de rechten, die uit de noodzaaklijkheid van verdediging, of eene beteugelende macht voordfpruiten ; rechten, buiten welken geen bijzonder lid in de Republiek kan beflaan. Deze rechten van den Staat, en vooral het eerde, kunnen menigmaalen ftrijdig bevonden worden met een tegenwoordig of toekomend belang, niet alleen van een bijzonder lid , maar van allen te znmen genomen. Ondertusfchen is het hier een allerwezeiilijkst, een allerbillijksc recht, P 5 ver-

Sluiten