Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

H A L E B.

(Eene Vertelling.)

Jn droefgeestigheid weggezonken, lag Ha leb vóór zijne fpelonk , aan eenen waterval van den Nyl, en ftond zich naauwlijks het fpaarzaam gebruik toe van gedroogde daadels, om de bouwvallige wooning van zijnen geest niet geheel te laten inftorten. De wildernis , welke hij bewoonde, was allerakeligst. Men zag 'er niet éénen fchaduwriiken boom , door wien» Diaaden het avondwindje ruischte , noch eenige bloem gaf eenen aangenaamen reuk van zich. Maanden liepen 'er voorbij, in welken hij geene menfchelijke ftera hoorde; nimmer wekte het gezang der vogelen hem uit zijnen flaap.

Op zekeren tijd verdween de duiftere nevel van de rotzen in de rivier: het was, alsof de Zon, met haare verkwikkende ftraalen, door de woeftijn heendrong. Groene klaver fcheen het dorre zand te bedekken , en hemelfche toonen drongen in Ha leb 9 ooren. Hij zag eene goddelijke geflalte op roofenwolken zweeven. Eene onverwelkbaare jeugd was op haare maagdelijke kaaken gefchilderd, en haar

v lag-

Sluiten