Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—c 292 )—

«>

De dag IeertWÜ mij"' God! — Gij toomt hem mij, 6 Nachten!

Gij darren, vormt den troon van hem, voor wien ik kniel. d Welk gevoel, wat droom van zwellende gedachten Bruiscln door mijn' ziel!

<*>

Hoe ftaatig wandelt God door 't ruim der fchepping henen)

Hij zweeft op de avondwind rondom den wendend* as! Dat onbevatbaar Zijn,, door eigen glans omfchenen, Blijft eeuwig, die Hij was!

<>

Van dat de Englen 't eerst door 't ruim der fchepping dreven

Totdat elk waereldbol verzinkt in de eeuwigheid Datgaapend vak, door hoeveel eeuwen ook omfchrevenDit is voor God geen tijd.

. <>

In welk een' afgrond ook verbeelding ons doe daalen ;

Zij overftapp' den grens van 't wentelend Heelal: — Gij woont 'er, eeuwig God! — uw aanzijn kent fieen'paaienS Gij — Gij zijt overal..!

<Ó>

Ontzaglijk Sabijhnl uw' grootheid is gevallen!

Uw naam alleen is dechts bekend bij 't nagedacht ; De Reiziger herdenkt, op 't puin van uwe wallen, Uw' vroeger fterkte en macht!

Rt.

Sluiten