Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 342 )—

3.") Moed heeft wel, even als vrees, veelerhande en zeer verfchillende gronden ; hij kan een gevolg zijn van de verachting des leevens, doch ook van dehoogfte zorgloosheid of wanhoop. En dus ftrijdt hij niet met het natuurlijk charakter van flaafsch onderdrukte menfchen. Dus toont hij zich ook dikwijls in de oproeren en omwendtelingen , die zij bewerkt hebben (*), of bij de uitvoering van eenen aanflag, die op bijzondere wraak doelt. Maar als een gevolg van de liefde voor het vaderland en eigendommen, als een gevolg van gevoelens van eer , en een beftendig vast voornemen tot onverfchorkkenheid en kloekmoedigheid, kan men hem bij flaaven niet verwachten. En fchoon al de Slaaf drifc in zich heeft, om in zekere betrekkingen moed te betoonen , zal nogthands zijn gedrag over het geheel vreesachtig, fchuuw , wantrouwend zijn ; nadien zijne veiligheid niet afhangt van zijne rechten, maar zoo geheel van den willekeur en de boosheid der menfchen. Zelfs de Despsoten leeven in eene aanhoudende vreeze en wantrouwen , naar de bekende uitfpraak van eenen ouden wijzen, dat hij voor veelen te vreezen heeft, die door veelen gevreesd wordt. Die ingebeelde Goden , die zich, in hunne buitenfpoorige titels, Heeren van keizers en koningen , aarde en zeeën noemen , kunnen niets eten of drinken , zonder vreeze voor vergift. (**)•

4. De-

(*) Zie FerOüsoN Hist. of civ. foc. p. 459.

(**) De Mogol Aureng-Zes at niets, voer dat zijne Zifrer , en twee of drie der voornaamfte Omrak's, daarvan geproefd hadden. Van de geneesmiddelen , die zijne Genecshecren hem

voor-

Sluiten