Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~( 365 )-

den worden in elk gewest, en in alle eeuwen. — De tweede zoort beftaat ook wel in charakters van ■menfchen, maar van eene waardiger, eene verhevener zoort , ver boven het dagelijkfche, het gewoone verheven, en bijzonder eigen aan helden en groote geesten.

De laatfte zoort is die, welke zich, in haare natuur, geheel van het menfchelijke onderfcheidt, als daar zijn: Geesten, Nimfen, enz. Mogelijk zal men denken , dat in het eerfte geval de Vinding niets te doen heeft — dat deze niet te pas koomt. —

Waar een juist begrip en eene natuurlijke uitdrukking genoegzaam zijn in het voordellen van een getrouw afbeeldzel van een in wezen zijnde charakter, moet men bekennen, dat de Vinding zoo veel gelegenheid niet heeft, om werkzaam te zijn, als wel anders; ja zelfs, dat zij zich, in dit geval', noodzakelijk moet weêrhouden; maar 't is ook zeker, dat een juist en leevendig begrip van de aftebeelden charakters, en het vermogen, om dezelven volkomen te befchrijven , en naar waarheid aftemaa}en, hoedanigheden zijn, die van de verbeelding afhangen: want, fchoon een onzijdig oordeel genoegzaam is, ter bepaaiing, in hoe verre de afbeelding natuurlijk en volkomen zij, moet de verbeelding echter de werkzaamheden , en alle bijzondere eigenfehappen der onderfcheiden charakters, afbeelden, en leevendig voor oogen ftellen. Vooral heeft' dit plaats in het vertoonen van zodanige charakters uir de zamenleeving , welken op het tooneel worden afgebeeld; in wier befchrijving en afbeelding Bb 3 een

Sluiten