Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 366 )-

een Dichter zekerlijk zijne genie zoo moet doen werken, dat deze er kennelijk in doorftraale.

De tweede zoort van charakters, fielden wij, die te zijn, welken zich , verre boven het gewoone, boven de dagelijks voorkomende vermogens der menfchelijke natuur verheffen; doch zich echter niet buiten den kring der menfchelijkheid verwijderen. Het moet der menfcheliike natuur mogelijk zijn , die te bereiken; gelijk zij zich ook onder de helden en groore zielen, in alle tijden en landen, vertoond hebben, 't Is deze zoort, welke bijzonder voor het heldendicht en trenrfpel gefchikt is. Ten aanzien van het laatfte vooral, kan een oorfpronglijke Genie zich, in alle zijne fte:kte, vertoonen, daarbij ruimte en vrijheid heeft tot het fcheppen en uitdrukken van charakters , voor welken bet heldendicht niet vatbaar is.— Ook indezen zal hij peene helden van H om e» rus of Ei'ripides copieerer : zij zullen zijn eifren werk wezen; en, fchoon zij niet geheel denkbeeldig zi;n, en hrnnen giondtrek of oorfprong in de gefchieiHiis of fabelleer vinden, is echter eigenlijk, o^er het geheel genomen, de volkomenheid van het cba-akter des Dichters eigen maakzel, en als zoodanig, door vinding en kunst, het merk eener oorfpronglijke genie.

De derde en laatfte zoort van charakters. in welken een oorfpronglijke Genie zich vooral door Vinding doet kennen, zijn die, welken men bovennatuurlijken rioemt, en die dus geheel onderfcheiden zijn van die, welken enkei menfchelijk zijn. Van het beftaan, de natuur en verachtingen dezer wezens kunnen wij

geene

Sluiten