Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mathilde. Vergifnis, mijn Vader! Voonnaals noemdet gij mfj, zoo dikwijls, uwen Zaon,- gij treurdet, dat ik zulks niet ware; gaaft mij het getuigenis van beraadenheid en moed — ock nu was dat geen, hetwelk u onverfchilligheid fcheen, alleen nadenken. Ik zag u, in mijne verbeelding, reeds in Wilhelm s gebied; verheugde mij over uwe zege; en gevoelde echter M

B a l d e w ij n,

Na, en wat?

Mathilde. (met bedaarden nadruk?) Wilhelm alleen, of geen Man, kan nu mijn gemaal worden.

Baldewijn. (verfchrikt,~) Wilhelm? Mathilde! is het ijling, die u doet fpreken?

Mathilde.

Geen onderzoek — dan, het betaamt mij niet — of het billijk ware, hem, die uw woord en mijn belofte reeds had, dit woord terugtetrekken ? — het terugtetrekken wegens eene vlek, waaraan hij geene fchuld had, hetgeen wij allen wisten, eer gij u hem ten Schoonzoon uitkoost. Geene vraag , of frankrijk* arglistige raad —

Ba lde wij n.

Hoe? gij fpreekt den booswicht voor?

Mathilbe. Ik fpreek niets, dan dit: hij verfcfeeurde miin iluiër; hij drukte op mij den kus, die alleen eener G.ade toebehoort; hij nam mij mijne eer weg, hij geve

Sluiten