Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

BRIEF

tan

EENEN VERLIEFDEN.

MijN waarde Vriend.!

Gij hebt voorleden mij bekeven, Omdat ik u had, in geen halve maand, gefchreven; Gij vraagt mij, of ik dood ben , of — verliefd? Of eene jonge Maagd mij zoo zeer had gegriefd, Bat ik nieti anders deed, dan zngten, huilen, karmens Het noodlot fmecken om erbarmen, Ja vaak, op een bemosten grond, (Zoo aan den oever van «le Vecht) te janken ftond % Opdat, oni mij den weg tot wedermin te baanen, H,Ct water, dat zij drouk, den fmaak kreeg van mijn' traanen* En dan nog ééns, in 't feheemrend avondrood, Meer wellust in een traan, dan een glas wijn, genoot, ?n ook elk bloempje, dat voor mijne fchreeden bloeide, £n deze droogte, met een' traancnvloed, befproeide? Of ik de fchoone blecke maan Ge.fts.dig riep onj bijftand aanA

Sluiten