Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 4*6 >

heeten; maar ik wil toonen , dat ik mij van zuike laage middelen, als gij gebruikt, niet behoef te bedienen , om mijne zaak te verdedigen, en dat ik zulks doen kan , zonder zoo geduurig boos te worden. Ilijklijk twee derde gedeelten van uwe vier' digtgefchreven bladzijden in groot 4to vallen weg , mijn Heer ! als gij de moeite neemt, van mijn' brief aan mijne Dochter nog. eens bedaard , en zonder boosheid , intezien , dewijl gij alsdan zult bemerken, dat alles, wat ik van de Franfche Mademoifelles , als verouderde Theaterprinfesfen enz., als gevaarli k in huisgezinnen , als ongefchikt , om eene wezenlijke educatie te geven, enz. enz. gefchreven heb, niet op alkn , maar op de meeften betrekking heeft. En dat de minften van die Juffers zulk eene gezonde, bloozende koleur hebben , als UE. haar toefchrijfc , zal, denk ik , niemand ontkennen , die nog maar eenigzins natuur van kunst weet te onderfcheiden ; want ik mag niet gelooven, dat mijn Heer op die bloozende koleur zoo bijzonder gefteld is, die bij een heet vuur , of in den warmen zonnefchijn , met bloozende druppelen , van de wangen leekt."

„ Maar mijn Heer ! wat is uwe verdediging , of verontfchuldiging vau de door mij opgegeven voorbeelden van Hechte Mademoifelles ongelukkig ! Ik heb in den brief aan mijne Dochter gezegd; „ herinnert gij u niet, hoe onze Nicht Amalia

daardoor, dat de Mademoifel haar niet alleen vroegtijdig de dartelde Romans voorlas, enz. — haare onfchuld verloor ?" En hierop vraagt gij , op een' vrij rechterlijken , of liever katechizeermeefterachtigeu

toon:

Sluiten