Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 429 )—

zulk een* tederen en gewichtigen post, naderhand gebleken is. — Uwe partijdige beöordeeling van de Engelfche, Hoogduitfche en Hollandfche Informatrices, mijn Heer! en uwe verheffing van de Franfche boven dezen, en bijzonder boven de laatften, doet mij denken, dat gij,die, volgends uw fchrijven, een gebaren Hollander zijt, maar wiens Foorouders, om religietwist. Frankrijk hebben moeten verlaten, door den tijd niet weinig zijt verbasterd geworden, en dat 'er nog heel wat van het voorouderlijke Franfche bloed door uwe Hollandfche aderen vloeit. Denkt gij waarlijk, dat 'de Franfche Inforrnatrices gelchikter en deugdzamer zijn, dan de Hollandfche? Wel ik feliciteer TJ met uwe Franfche charakterkunde; maar zou, meent gij, een vast en bejlendig charakter eene Mademoifelle of Gouvernante niet gefchikter voor haare beftemming maken, dan een los en ligtveranderlijk charakter? Nu, maak dan de toepasfing zelf."

„ Op uwe aanmerking, mijn Heer! dat ik, in zekere pasfage van den brief aan mijne Dochter, kal als iemand, die in haare jeugd fterk geleefd heeft, en nu fijn geworden is, maak ik geene contraaanmerking, dan alleen deze, dat zij onbefchoft is, en dat de fpreek wijs: fterk leeven: zoo wel ten aanzien van de zaak zelve, als de beteekenis, in het land uwer Voorouderen beter bekend is, dan in het land, waar gij geboren zijt. Ook voegt deze uwe aanmerking in 't geheel niet in den mond van iemand , die nog al mede over ongodsdienftigheid durft kiaagen. Zoodanig iemand moet, zal hij zich althands F f 3 eenig-

Sluiten