Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 496 )-

opgevoed, het afgrijzelijke des oorlogs niet zo veel mooglijk zoude poogen te verzagten ; terwijl de weerlooze , het zwak gedacht , en de afgeleefde grijsaard m hem immer den grootmoedigften befchermer vonden? Wie i, 'er, die , door dezen heeriijken band aangevuurd , voor de gewijde belangen de* vriendfchap een oogenblik aarzelen zoude, zijnen laatften druppel bloeds te ftorten? Kan het moogel jk zij,, , dat de boezem van den voedflerling des Komnghjken Zangers niet onophoudelijk voor roem, beugd en Vaderland bonzen zoude? Ja, hoe zeer worden onze gewaarwordingen, van C verrukkende der fchoone natuur, niet telkens door het beoefenen der onfterflijke Dichteren verft»* en veredeld? Was 'er immer een zuiverer, verhevener weelde, eene rijker bron van zaligheden, welke den broozen ftcrveling konden te beurte vallen, dan juist deze bovenaardfche wellust, die de natuur ons geduurd aanbiedt? Een lente-morgen , de daueraad , die in al zijn praal , van agter een onafgebroken keten van blauwende bergen, te voorschijn rijst; terwijl alles rondom ons heenen met de leevendigfte verrukking zijne komfte begroet: de landman, die al zingende tot zijn gewoon dagwerk wederkeert, en, met eenen vrolijken biik, ten hemel opgeheven , den weldaadigen Schepper van dit heelal zijne vuurigfte dankzegging, toebrengt: welige daalen , dis van het fmagtend lied der nachtegaaien, tusfchen de digte twijgen eener ftaatige eike verfchoolen, gefladig weergalmen: blaetende Schaapjes, die aan het hangen van het gebergte , al dartelende , de welrie- .

ken-

Sluiten