Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 497 ) -

kende kruiden affcheeren , daar intusfchen hunna herderen, in de fchaduwe van dik getakte Olmboojnen gezeten, eenen kunfteloozen Veldzang aanftemmen: grazende melkkoeien , wier geloei de afgelegen Echo's tienvouwig teruggekaatfen : fchuldelooze landmeisjes , die de volle uiè'rs haarer grazende runderen drukken, en de fneeuwwitte melk, al fcbuimende, doen nederllrooraen: de bezige akkerlieden, die allen om flrijd den velden een nieuw leeven, verjongde bekoorlijkheden fchenken , of een zoeleavondfrond, waar de nederzinkende dagtoorts den azuuren , wolkeloozen hemel met goud en purper bemaalt, en elk fchepzel, van de zuiverfté wellust, het zaligste gevoel doordrongen, ai juigchende zijnaanweezen geniet. Een zagt ruifchende vloed, waarop geen golfje zijnen grijzenden kruin verheft; die het beeld der verduisterde gehugten op zijne zuivere oppervlakte ontvangt, en de violetkleurige avondwolkjes, van zijnen doorzichtigen fpiegel , met eenen fmeltenden gloed teruggekaatst, en die door de logge kielen , wier blanke zeilen een labberkoeltje, onmerkbaar, bijkans doet wapperen, flechts zagtelijk gekliefd worden, |en welker voorddrijving het gansch tafereel eene bekoorlijke verscheidenheid verfchaft : de afgematte daglooner, die, al hijgende, met langzaame fchreden , naar zijne laage flulp ter ruste fpoedt , en daar eene verademing geniet , oneindig genoeglijker, dan de overdaadige weelde der waereldgrooten, of de verblinde praal des Rijksgebieders immer geven kunnen: een zagt bloozend meisje, welke in het duiftere van een eenzaam boschje, ter

helf-

Sluiten