Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 73 )-

onzen affcheidskusch aan den rand des graf* ; en vrugteloos zou het meesterlijk penfeel des kunstenaars een zoo treffend tafereel van een fterfbed hebben poogen te fchetzen , als zij alleen met woorden maalde. a Adolph, (Halflagchende.)

Ja ...ja, men heeft meer dergelijke Meisjes, welke al aardig fchilderen.

willem.

Op zekeren tijd , wanneer zij deze neiging nog meer, dan naar gewoonte, botvierde, en in de zekere overtuiging, dat zij vroeger, dan ik, van deze aarde zoude afgeroepen worden , mij met de vuurigfte aandoening haaren laattlen ademtogt, haaraflehe d-

nemen, haar zweeven romdom mij henen, ook zeüs na den dood , befchreven had j vraagde ik h»ar al lagchende, ten einde een traan te verbergen welke in mijne oogen oprees : „ Van waar, Louüe! hebt Gij deze zekerheid? Wie opende ü het boek des toekomftigen , welk anders , naar ik meene, zo vast toegezegeld is ? En waarom , indien Gij niet, ook nu zelfs, reeds eene Engel zijt, gelijk Gij mij bereids zoo vaak hebt toegefchenen, van waar komt het dan , dat hier, waar niet dan dulsternisfe voor het gezicht der overige ftervelingen zich opdoet , voor y integendeel alles licht fchijnt. ? Adolph.

Wel gezegd!

Willem.

Zij zweeg een paar feconden. Haar oog , hetwelk, even als dat van eenen Stuphanus, den Hemel E 5 reeda

Sluiten